Soon more info

Close

About

Brief : aan Henk Delabie

Het gebeurt zo vaak dat de afbeelding van een kunstwerk in een publicatie leugenachtig is. Zo een afbeelding is zelfs nauwelijks een document te noemen. Het is een doorslag, een twee-dimensionele archeologische ‘vondst’ van iets wat niet bestaat zoals men het ziet. Net zoals foto’s in een krant de politieke actualiteit afleidt, zo misleiden ook foto’s in een publicatie ons van de kwaliteiten van een kunstwerk. En toch heb ik je werk op deze ‘tweedehandse’ manier leren kennen. Het boekje dat ik op een bepaalde dag in de hand geschoven kreeg, is uiteindelijk het begin van de ontmoeting met je overwegend sculpturaal werk geweest. Ik herinner me het bezoek aan je atelier, het atelier van een beeldhouwer. Het is een plek waar vormen, objecten, structuren, tekeningen, fotocopies, fragmenten zich als – voor een deel ongeordende – gedachten over de ruimte verdelen. Het  is een plek waar nog geen definitieve keuze is gemaakt tussen wat belangrijk en onbelangrijk kan worden genoemd, maar waar elke vorm of vormelijke herinnering het vermogen heeft uit te groeien tot een autonome sculptuur. Twee gedachten hebben zich op dat moment voor mij rond je werk voor gekristalliseerd : enerzijds heb je de maîtrise van een beeldhouwkundig ‘ambacht’ (net zoals Tony Cragg dit permanent in zijn werk onderzoekt), en anderzijds de gedachte dat het menselijk lichaam de maat van al je werk bepaalt. En het woord maat hoeft men niet alleen te begrijpen in de betekenis van grootte of verhouding, maar kan gerust ook verwijzen naar een muzikale omgeving. Het kan met ritme, toonhoogte of volume te maken hebben. Een jaar later bezochten we samen jouw tentoonstelling in Menen. Het was de eerste keer dat ik je sculpturen in een andere omgeving zag dan het atelier – op een uitgebalanceerde houten vorm in je woonkamer na . Ik kon ervaren hoe de sculpturen zich gedragen ten overstaan van ruimtes en individuen, hoe het licht en de reflectie de spanning tussen vorm en kleur afmaakt, hoe je sculpturen zich verhouden tot een traditie. Alle sculpturen zijn monochroom. Welke techniek je ook gebruikt, de harde gesatureerde kleur vervat in een glanzend oppervlak voert de boventoon. De kleur van de sculptuur kan je benoemen zoals de bladeren van een boom. Het industriële karakter van de kleur laat de toeschouwer niet verdwalen in een vage symboliek, maar staat hem of haar toe de essentie van de sculptuur te benaderen : het lezen en beleven van de sculpturale vorm op zich, als een lichaam dat ligt, hangt, steunt of rust. Laat ons even stilstaan bij de uitgerekte rode verticale sculptuur. Het object leunt kwetsbaar tegen de muur aan en geleidt de blik van de toeschouwer naar de knik, het moment waarop de sculptuur de wand verlaat en de ruimte wint. Iets wat een ogenblik nog het vermoeden van twee dimensies had – alsof het een teken of geschilderd object betreft – wordt plots in het ‘betreden’ van de ruimte een sculptuur. De diameter van de ‘buis’ en de curve van de buiging laat een mathematische precisie vermoeden eigen aan de minimal art. De vorm van de sculptuur herinnert echter meer aan de spanning van een knie of een elleboog, aan de intuïtie van een beweging. De lichte buiging in de verticaliteit van de sculpturen activeren de ruimte, versnijden deze in een voor-, zij-, achter- en onderkant. Elk van je beelden is op die manier te beschrijven. Elke sculptuur is te benaderen in zijn relatie tot de ruimte en de toeschouwer. Of misschien zijn je sculpturen als steles, monolieten of totems waar de geschiedenis van de beeldhouwkunst verstomt tot de directe ervaring met een uitgepuurde en ascetische vormtaal.

Philippe Van Cauteren, Castleford.
artistiek directeur  Stedelijk Museum voor Actuele Kunst Gent