Soon more info

Close

About

Johan Seynaeve: de ontmanteling als mogelijkheid
Al meer dan 30 jaar onderzoekt Johan Seynaeve (leeft en werkt in Gent) de fundamentele waarden van het schilderij en het beeld. Het is goed om dat onderscheid tussen schilderij en beeld te benadrukken. Het schilderij verwijst naar de materiële bestanddelen: het soort doek, de verf, de verfaanbreng, de specifeke kwaliteiten van de verf, het formaat, de combinaties van verschillende doeken naast en ten opzichte van elkaar. Het beeld heeft dan meer te maken met wat je als toeschouwer uiteindelijk percipieert: de kleuren, of beter: tonaliteit, naast elkaar, de vormen, de relatie tussen oppervlak en lijn. Het beeld als icoon, als aandachtsbeeld. Beelden zijn potentiële betekenisdragers. In een wereld van een overvloed aan (digitale) beelden lijkt het abstracte kleurvlak, de monochromie, de eenvoudige tekening van een kruis, cirkel of ruit, de uitweg aan een spirituele dimensie te bieden.
Johan Seynaeve ontwikkelde zijn oeuvre in de jaren tachtig, het decennium waar een ‘honger naar beelden’ heerste, fguratieve beelden, wildgeschilderde doeken. Seynaeve koos resoluut voor een omgekeerde weg naar abstractie, uitzuivering en uniformiteit. Daarmee werkte hij niet in het luchtledige. Hij bouwde verder op de grote 20ste eeuwse abstracte tradities van de Russische constructivisten, van De Stijl en ook van de naoorlogse minimalisten zoals Mark Rothko, Robert Ryman of Brice Marden. Maar net zoals deze kunstenaars schemeren de grote meesters uit de (pre-)renaissance door: de eenvoud van Duccio en Fra Angelico, de puurheid van Piero della Francesca. Maar ook befaamde “uitpuurders” blijven nazinderen: Chardin, Vermeer of Morandi.
De bandbreedte lijkt soms smal, maar in de zelfopgelegde beperkingen blijken plots heel veel variaties mogelijk. In verschillende werken (vaak in reeksen opgebouwd) experimenteert Seynaeve met collagetechnieken, onverwachte ondergronden, uitsnijdingen, combinaties van picturale en niet-picturale middelen, de omlijsting van het doek of zelfs de achterkant van een schilderij waar plots de echte basis, het chassis, een beeldelement wordt. Alles vloeit voort uit een permanente bevraging van de schilderkunst op zich en de mogelijkheden die ze biedt. Ook in de verfbehandeling zien we die variaties. We kunnen ons inbeelden hoe moeilijk het is voor een kunstenaar om te weerstaan aan de verleiding van het schone, het genuanceerd aanbrengen van dunnen transparante lagen of, in de tegenovergestelde richting, smeuïge pasteuze verfpartijen, die ene sublieme verftoets, het spel van matte tegenover blinkende oppervlakken, de charme van een verweerd stuk hout. Seynaeve lijkt vaak in te gaan tegen de verwachting van een ‘schoon beeld’. Sommige werken dragen hun eigen ontmanteling in zich, kleurcombinaties vloeken soms tegen de goede smaak en schilderijen breken soms letterlijk uit hun kader.
Johan Seynaeve heeft een prachtig (zolder)atelier waar hij zichzelf omringt met werken uit verschillende periodes. Maar alles lijkt te convergeren naar één punt. Zijn werk spreekt met elkaar, het zijn als acteurs in een scenografe of woorden in een tekst. Aan zijn ateliermuren en in tentoonstellingen speelt hij met deze woorden en zoekt hij steeds nieuwe combinaties. Ook hier moeten we opnieuw denken aan de kabinetten van Lissitzky en Malevich, en natuurlijk ook aan de iconenschilders. De woorden, de zinnen, de tekst openen zich voor de toeschouwer zoals een landschap dat zich ontvouwt en dat we pas kunnen ontdekken en betreden als we over de heuvelrug zijn gestapt.
Hans Martens Oktober 2017